Dé vereniging voor patiënten met niet-aangeboren hersenletsel en hun naasten

Word lid
Home » Over Ons » Werkgroepen » Juridische Advies Commissie » Eigenzinnig!

Eigenzinnig!

Tweede Paasdag 2011. Een groepje jongelui rijdt in hun auto door het centrum van Tilburg als plotseling een fietser de weg op rijdt; een aanrijding kan niet worden voorkomen. De fietser loopt ernstig letsel op, waaronder hersenletsel. Zij kan zich van het ongeval niks herinneren, ook niet waar ze vandaan kwam of waar ze naar toe ging.

Via een oud-cliënte kom ik met haar in contact. Een ander kantoor had haar zaak beoordeeld en zag er niks in. Het onderzoek van de politie was (om onbegrijpelijke redenen) erg beknopt geweest en dus werd er vooral veel waarde gehecht aan de verklaringen van de bestuurder en de twee andere inzittenden van de auto (verder: de jongens). Die hadden eenduidig verklaard dat ze niet hard reden, dat de fietser vanuit het niks achter een geparkeerde bestelauto de weg op reed en een botsing niet te vermijden was. Over de rijrichting van de fietser waren ze dus ook eensgezind: ze schoot van rechts de weg op.

Eigenzinnig als ik ben, twijfelde ik aan die lezing van het voorval omdat de jongens ook verklaarden dat de fietser in haar val na de aanrijding de linker spiegel had afgebroken van de geparkeerde bestelauto. Dat kon volgens mij niet kloppen wanneer de fietser van rechts naar links de weg op reed. Bovendien was er een foto van kort na de aanrijding beschikbaar, waarop cliënte door het ambulancepersoneel werd verzorgd en ongeveer in het midden vóór die geparkeerde bestelauto op de grond lag, dat wil zeggen aan de rechterzijde van de weg op de parkeerstrook. Ook dat kon ik niet rijmen met de verklaring dat ze van rechts de weg op was geschoten. Ik zou dan verwachten dat ze door haar eigen rijrichting ergens links voor de auto die haar had aangereden terecht zou zijn gekomen en niet geheel rechts daarvan.

Hoe dan ook, op moment dat deze zaak werd voorgelegd waren er veel vragen en weinig concrete antwoorden, met name ook omdat cliënte zichzelf helemaal niets wist te herinneren. Ik nam de zaak in behandeling op basis van no cure no pay zodat cliënte financieel geen risico liep. Ik meende dat -ook vanwege het ernstige letsel-, op zijn minst de discussie moest worden aangegaan met de verzekeraar van de auto over de aansprakelijkheid. Cliënte was als gevolg van het ongeval immers volledig arbeidsongeschikt geraakt, terwijl zij tot aan het ongeval had gewerkt als psychologe en goede vooruitzichten had. Bovendien was ze door het hersenletsel behoorlijk afhankelijk geworden van de hulp van anderen. De schade was dus evident.

De verzekeraar werd aangeschreven en aansprakelijk gesteld, doch die leunde zwaar op de verklaringen van de jongens, beriep zich op overmacht en wees iedere aansprakelijkheid van de hand. We legden de casus aan de rechter voor. We waren ervan overtuigd dat een beroep op overmacht niet zou worden gehonoreerd, omdat er veel onduidelijkheden waren omtrent de juiste toedracht van het ongeval, ernstig kon worden getwijfeld aan de verklaringen van de jongens en we er ook min of meer vanuit gingen dat, mede vanwege het ernstige letsel, cliënte het voordeel van de twijfel zou (kunnen) krijgen. Dat liep echter anders. De rechter ging in het geheel niet in op onze visie omtrent de afgebroken spiegel of de plek waar cliënte vlak na het ongeval werd aangetroffen. Hij ging volledig af op de verklaringen van de jongens en bevestigde het beroep op overmacht: geen aansprakelijkheid, dus geen recht op schadevergoeding!

Dat was een teleurstelling. We besloten ter voorbereiding van een hoger beroep een ongevalsdeskundige de zaak eens te laten analyseren. Na uitvoerig onderzoek, onder andere op basis van foto’s van de fiets waarop cliënte was aangereden, maar ook van het expertiserapport van de autobeschadigingen, bevestigde de deskundige ons vermoeden dat cliënte niet van rechts kon zijn gekomen, maar van links! Ze kon onmogelijk achter de -aan de rechterzijde geparkeerde- bestelauto zijn gekomen, maar stak van links de weg over naar rechts, waarbij ze vermoedelijk een inschattingsfout had gemaakt en de auto haar schepte.

De puzzel viel opeens in elkaar. Vanwege haar rijrichting van links naar rechts en de daarbij passende valrichting na de aanrijding, kon de kapotte spiegel van de bestelauto worden verklaard alsook de plek waar cliënte werd aangetroffen. Het werd ook duidelijk dat cliënte dus een hele tijd goed zichtbaar moet zijn geweest voor de bestuurder van de auto voordat de aanrijding plaatsvond! Van overmacht kon naar mijn mening dan ook geen sprake zijn. Ergo, de bestuurder kon dus wel degelijk (grove) onoplettendheid worden verweten! Mijn hoop dat de verzekeraar op basis van dit onderzoek overstag zou gaan en een hoger beroep niet nodig zou zijn, was echter illuster. De verzekeraar volhardde in zijn standpunt en dus gingen we naar het gerechtshof. Bij de mondelinge behandeling aldaar vonden we alsnog een gewillig oor voor onze visie en werd duidelijk dat ook het hof overmacht niet aan de orde vond.

Op verzoek van het hof vond hernieuwd overleg plaats met de verzekeraar en kon deze kwestie onlangs, ruim 7 jaar na dato, alsnog op bevredigende wijze worden geschikt! Dat was voor cliënte een ware opluchting en voor mij een bevestiging van onze eigenzinnige visie. Gelukkig!

mr Raoul van Dort
Voorzitter juridische adviescommissie